Personeelsnet

Is het te betalen, vroegpensioen voor zware beroepen?

In Nederland gaan we allemaal op dezelfde leeftijd met pensioen, maar de vraag is of dat wel eerlijk is. Zo zijn mensen met een lagere opleiding tegen hun pensioenleeftijd vaak opgebrand: ze doen zwaarder werk, zijn eerder begonnen met werken en bovendien leven ze ook nog eens korter dan mensen met een hogere opleiding. Maar is het betaalbaar om lager opgeleiden eerder met pensioen te laten gaan?

Onderzoekers van het NIDI hebben een artikel geschreven waarin ze mogelijkheden onderzoeken om de pensioenleeftijd te differentieren, waarbij ze ook de (maatschappelijke) kosten berekenen.

Aandacht voor mensen met een zwaar beroep
Al langer ligt de vraag op tafel of mensen met een fysiek zwaar of stressvol beroep niet de mogelijkheid kunnen krijgen de AOW eerder in te laten gaan. Dat zou bijvoorbeeld kunnen, door de AOW-leeftijd te koppelen aan het arbeidsverleden.

Maar het opstellen van een lijst met zware beroepen blijkt erg problematisch. Bovendien is er geen betrouwbare registratie van het arbeidsverleden, dus is niet duidelijk wie wanneer zwaar werk heeft verricht. In België overleggen regering en vakbonden wel over een lijst van zware beroepen. Hierbij wordt gekeken naar vier criteria: de zwaarte van het werk, onregelmatige uren, de veiligheidsrisico's en de hoeveelheid stress.

Lagere AOW-leeftijd voor mensen lager opgeleiden
Uitgaande van de huidige regelgeving, komt de AOW-leeftijd in 2021 uit op 67 jaar. Hoger opgeleide 67-jarigen hebben dan nog een levensverwachting van 21,6 jaar tegen 18,0 jaar voor mensen met een lagere opleiding.

Mensen met een lage opleiding zullen dus naar verwachting 3,6 jaar minder AOW ontvangen. De verhouding tussen het aantal AOW-jaren en het aantal werkjaren, ligt voor lager opgeleiden veel ongunstiger omdat zij enerzijds minder jaren AOW ontvangen en anderzijds eerder beginnen met werken.

Lager opgeleiden al met 62,5 jaar met pensioen
Verder hebben de onderzoekers de verhouding berekend tussen AOW- en werkjaren voor iedereen, onafhankelijk van sociaaleconomische status. Als je werkjaren en AOW-jaren eerlijk verdeeld, zouden laagopgeleiden met 62 jaar en vier maanden met pensioen kunnen gaan.

Voor middelbaar opgeleiden zou de AOW-leeftijd dan uitkomen op 64,5 jaar. Voor hoger opgeleiden zal de AOW-leeftijd dan oplopen van 67 jaar in 2021 naar 70 jaar in 2050.

Geen pasklare oplossing voor AOW-leeftijd
De onderzoekers concluderen dat er geen eenvoudige pasklare oplossing is voor de verhouding tussen AOW-duur en arbeidsduur tussen laag- en hoogopgeleiden. Want als er voordelen zijn, staan daar altijd nadelen tegenover. Bovendien zijn verschillende scenario’s niet altijd praktisch uitvoerbaar:

  • Als we de AOW-leeftijd voor mensen met een sociaaleconomische achterstand verlagen zonder die voor hoger opgeleiden te verhogen, leidt dit op korte termijn tot hoge kosten. Ook zorgt het voor ongelijkheid tussen generaties.
  • Als we de AOW-leeftijd voor laagopgeleiden minder sterk verlagen en voor hoogopgeleiden extra hard laten stijgen, zijn de kosten een stuk lager. Maar dan krijgen hoger opgeleiden wel een erg sterke stijging van de AOW-leeftijd voor hun kiezen.
  • Als de AOW-leeftijd voor laag en middelbaar opgeleiden de komende jaren wordt bevroren op 66 jaar en de AOW-leeftijd alleen voor hoger opgeleiden stijgt, vallen de kosten mee. Nadeel is dan wel dat de sociaaleconomische verschillen slechts langzaam afnemen.

MIS NIKS: Abonneer je op de gratis Personeelsnet-nieuwsbrief

Neem een abonnement en download meer dan 300 actuele HR-instrumenten

Wilt u als HR-professional ook niks meer missen op uw vakgebied?