Zzp'ers die voor maximaal € 38 per uur werken, krijgen vanaf 31 december 2026 een sterkere juridische positie tegenover hun opdrachtgever. Als zij stellen dat er eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de opdrachtgever aantonen dat dit niet zo is. De wet die dit regelt, treedt 2027 in werking. Daarmee wordt een belangrijk onderdeel van de eerder voorgestelde zzp-wetgeving definitief, terwijl het kabinet ook nog werkt aan een nieuwe Zelfstandigenwet.
De discussie over schijnzelfstandigheid houdt zzp'ers en opdrachtgevers al jaren bezig. Sinds de Belastingdienst op 1 januari 2025 de handhaving op schijnzelfstandigheid hervatte, zijn veel organisaties voorzichtiger geworden met het inhuren van zelfstandigen. Het kabinet-Jetten wil meer duidelijkheid scheppen, zodat opdrachtgevers weten wanneer zij verantwoord met zzp'ers kunnen werken.
Een eerste stap is nu definitief gezet. De Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief treedt op 31 december 2026 in werking. Vanaf 2027 moeten opdrachtgevers, werkgevers en HR-professionals dus rekening houden met deze tariefgrens bij het beoordelen van de arbeidsrelatie van opdrachtnemers.
Bewijslast arbeidsrelatie verschuift naar opdrachtgever
De nieuwe wet is vooral bedoeld om laagbetaalde zelfstandigen beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Het rechtsvermoeden geldt bij een uurtarief van maximaal € 38, op basis van het prijspeil van 1 januari 2026. De grens was oorspronkelijk vastgesteld op € 36, maar is inmiddels aangepast. Het bedrag wordt namelijk periodiek geïndexeerd.
Wanneer een zzp'er met een laag uurtarief een beroep doet op het rechtsvermoeden, moet de opdrachtgever aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kan de opdrachtgever dat niet, dan kan de zelfstandige aanspraak maken op de rechten die bij een dienstverband horen, zoals loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Zzp’er met lager tarief is niet automatisch werknemer
Dat betekent niet dat iedere zzp'er die maximaal € 38 per uur verdient automatisch werknemer wordt. Zzp'ers mogen voor een lager bedrag werken, maar kunnen dan onder de wettelijke voorwaarden gemakkelijker aanspraak maken op een arbeidsovereenkomst. Omgekeerd betekent een tarief boven deze grens ook niet automatisch dat iemand wel een zelfstandig ondernemer is. Daarvoor is de uitvoering van de opdracht in de praktijk maatgevend.
Het kabinet verwacht er een preventieve werking uitgaat van de invoering van het minimumtarief en het omkeren van de bewijslast. Opdrachtgevers zullen naar verwachting kritischer kijken naar de inzet van zelfstandigen met lage tarieven, om te voorkomen dat achteraf blijkt dat eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Wat is er gebeurd met de oude Vbar?
Het rechtsvermoeden maakte oorspronkelijk deel uit van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Dat voorstel bestond uit twee onderdelen.
Het kabinet-Jetten besloot in maart 2026 om het wetsvoorstel op te splitsen. Volgens minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie zorgde het verduidelijkingsdeel voor te veel onrust onder zelfstandigen en opdrachtgevers en ontbrak daarvoor voldoende draagvlak. Daarom werd dit onderdeel uit de Vbar geschrapt. Het rechtsvermoeden bleef behouden en werd als afzonderlijk wetsvoorstel verder behandeld. Dat voorstel is inmiddels aangenomen en wordt eind dit jaar van kracht. Maar de oorspronkelijke Vbar is daarmee niet volledig verdwenen: het onderdeel over de bescherming van laagbetaalde zelfstandigen is nu zelfstandig wet geworden.
Nieuwe Zelfstandigenwet moet duidelijkheid vooraf geven
Voor het geschrapte verduidelijkingsdeel van de Vbar werkt het kabinet aan een nieuwe Zelfstandigenwet. Die moet opdrachtgevers en zzp'ers vooraf meer zekerheid bieden over de vraag wanneer iemand als zelfstandige kan werken. Het voorstel voor de Zelfstandigenwet is op 1 oktober 2026 in internetconsultatie gegaan, waarbij veel kritische noten zijn opgetekend. In de Zelfstandigenwet staan twee toetsen centraal:
Wie aan beide toetsen voldoet en ook daadwerkelijk op die manier werkt, moet volgens het voorstel vooraf meer zekerheid krijgen dat hij of zij als zelfstandige kan worden ingehuurd. Het kabinet spreekt daarbij van een 'veilige haven' voor zelfstandigen. De Zelfstandigenwet moet volgens de huidige planning in januari 2028 ingaan, maar moet eerst nog het hele wetgevingstraject doorlopen.
Handhaving op schijnzelfstandigheid blijft bestaan
De nieuwe wetgeving verandert voorlopig niets aan de bestaande handhaving door de Belastingdienst. Die blijft beoordelen of een arbeidsrelatie in werkelijkheid een dienstverband is, ook wanneer opdrachtgever en opdrachtnemer een overeenkomst van opdracht hebben gesloten. Sterker nog: de ‘zachte landing’ loopt in 2026 af; vanaf 2027 gaat de Belastingdienst weel volop handhaven en ook boetes uitdelen bij overtredingen.
Want als achteraf blijkt dat een zzp'er eigenlijk werknemer is, dan kan de opdrachtgever alsnog loonheffingen verschuldigd zijn. Daarnaast kunnen arbeidsrechtelijke en pensioenrechtelijke verplichtingen ontstaan.
Wat betekent dit voor HR en opdrachtgevers?
Voor werkgevers die zelfstandigen inhuren, is het verstandig om de bestaande opdrachten en uurtarieven opnieuw te bekijken. Vooral bij zzp'ers die rond of onder de grens van € 38 per uur werken, is het belangrijk dat de organisatie kan onderbouwen waarom sprake is van zelfstandig ondernemerschap.
Daarbij gaat het niet alleen om wat op papier is afgesproken. Ook de feitelijke uitvoering van het werk telt mee. Denk aan de vrijheid om werkzaamheden zelf in te delen, de mate van aansturing door de opdrachtgever en de ondernemersrisico's die de zelfstandige draagt. Voorlopig moeten opdrachtgevers en HR-professionals dus rekening houden met de bestaande regels en handhaving, aangevuld met het nieuwe rechtsvermoeden vanaf 31 december 2026. De bredere duidelijkheid die de Zelfstandigenwet zou moeten bieden, laat nog even op zich wachten.
|
Zzp'ers die voor maximaal € 38 per uur werken, krijgen vanaf 2027 een sterkere juridische positie tegenover hun opdrachtgever. Als zij stellen dat er eigenlijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de opdrachtgever aantonen dat dit niet zo is. Met deze actielijst ben je goed voorbereid. |