Aanvullend geboorteverlof blijft achter bij lage én hoge inkomens

Sinds de invoering van het aanvullend geboorteverlof in 2020 heeft een meerderheid van de vaders gebruikgemaakt van de regeling. Toch is er een flink verschil tussen inkomensgroepen. Voor vaders met een laag inkomen is de uitkering van 70 procent van hun loon te laag om van te leven, waardoor zij veel minder gebruik (kunnen) maken van de regeling. Vaders die veel verdienen, maken ook minder gebruik van de regeling. Het gat tussen hun inkomen en de uitkering (max 70 procent dagloon) is voor hen relatief groot. Zij hebben mogelijk ook het gevoel dat zij onvervangbaar zijn en daarmee onmisbaar op het werk.

Dat zijn conclusies van economen Zhi Deng en Coen van de Kraats, gepubliceerd in vakblad ESB. Zij analyseerden CBS- en UWV-gegevens van ruim 360.000 geboortes tussen juli 2020 en juni 2023. Daarmee ontstaat voor het eerst een gedetailleerd beeld van het werkelijke gebruik van het aanvullend geboorteverlof.

Van twee dagen naar vijftien weken betaald verlof
De afgelopen jaren is het betaald verlof fors uitgebreid voor partners van vrouwen die een kind krijgen. Waar vaders vóór 2019 slechts twee dagen verlof hadden, kunnen zij inmiddels gebruikmaken van:

  • één werkweek volledig doorbetaald geboorteverlof;
  • vijf weken aanvullend geboorteverlof tegen 70 procent van het (dag-)loon;
  • 26 werkweken ouderschapsverlof, waarvan negen weken betaald (mits die 9 weken worden opgenomen binnen het eerste levensjaar van het kind).

Met deze regelingen wil de overheid een gelijkere verdeling van zorgtaken stimuleren en de economische positie van vrouwen versterken. Vrouwen ervaren na de geboorte van hun eerste kind nog altijd een aanzienlijke inkomensdaling, terwijl dit effect bij mannen vrijwel afwezig is.

Gebruik blijft steken op 59 procent
Uit de analyse blijkt dat gemiddeld 59 procent van de vaders gebruikmaakt van het aanvullend geboorteverlof. Van deze groep neemt ongeveer 80 procent direct de volledige vijf weken op. Het gebruik steeg na de invoering licht van 56 procent naar ongeveer 61 procent, maar bleef daarna stabiel.

Dat percentage ligt aanzienlijk lager dan eerdere enquêteonderzoeken suggereerden. Sommige onderzoeken kwamen uit op 74 tot zelfs 84 procent. Volgens de onderzoekers kan dit verschil worden verklaard doordat respondenten in enquêtes sociaal wenselijke antwoorden geven of verlofregelingen door elkaar halen. De administratieve UWV-gegevens geven waarschijnlijk een realistischer beeld van het daadwerkelijke gebruik. Die komen ook in de buurt van het gemiddelde dat de onderzoekers vonden.

Lage inkomens maken het minst gebruik
De grootste verschillen zijn zichtbaar bij de laagste inkomens. Van de vaders in de laagste inkomensgroep, maakt slechts 37 procent gebruik van het aanvullend geboorteverlof. Bij middeninkomens loopt dat op tot ongeveer 64 procent.

Volgens de onderzoekers ondersteunt dit het vermoeden dat inkomensverlies een belangrijke drempel vormt. Het aanvullend geboorteverlof wordt immers slechts voor 70 procent van het dagloon vergoed. Voor gezinnen met beperkte financiële ruimte kan dat een belangrijke reden zijn om geen verlof op te nemen.

Daarnaast hebben werknemers met lage inkomens vaker een tijdelijke arbeidsovereenkomst, een kleiner contract en werken zij vaker bij kleinere werkgevers. Daardoor kan hun positie op de arbeidsmarkt kwetsbaarder zijn, wat het opnemen van verlof mogelijk minder aantrekkelijk maakt.

Ook topinkomens blijven achter
Opvallend genoeg maken ook de hoogste inkomens relatief weinig gebruik van de regeling. Bij de hoogste vijf procent van de inkomens daalt het gebruik naar 44 procent.

Een mogelijke verklaring is dat de uitkering is gemaximeerd op 70 procent van het maximumdagloon. Voor werknemers die aanzienlijk meer verdienen dan dat maximum kan het inkomensverlies tijdens verlof daardoor fors oplopen. Ook carrièreoverwegingen of de gedachte dat het werk moeilijk overdraagbaar is, kunnen een rol spelen. De onderzoekers benadrukken dat hierover nog onvoldoende gegevens beschikbaar zijn.

Verschillen naar opleiding en contractvorm
Naast inkomen spelen ook andere factoren een rol. Het aanvullend geboorteverlof wordt minder vaak opgenomen door:

  • werknemers met een contract van minder dan 24 uur per week;
  • werknemers zonder hbo- of wo-opleiding;
  • werknemers met een migratieachtergrond;
  • vaders van een derde kind.

Vaders met een hbo- of wo-opleiding maken juist bovengemiddeld gebruik van de regeling. Ook werknemers zonder migratieachtergrond nemen vaker verlof op.

Wat betekent dit voor werkgevers en HR?
Voor HR-professionals laat het onderzoek zien dat wettelijke verlofregelingen niet automatisch door alle werknemers in dezelfde mate worden benut. Financiële drempels, contractvormen, bedrijfscultuur en arbeidsmarktpositie lijken een belangrijke rol te spelen.

Werkgevers die werk willen maken van duurzame inzetbaarheid, gelijke kansen en een evenwichtige verdeling van werk en zorgtaken, kunnen daarom kritisch kijken naar hun eigen verlofbeleid. Denk bijvoorbeeld aan het aanvullen van UWV-uitkeringen tot het volledige salaris, duidelijke communicatie over verlofmogelijkheden en het actief stimuleren van verlofopname door leidinggevenden. Daar moet dan natuurlijk wel budget voor zijn.

Effectiviteit van beleid nog onzeker
De onderzoekers concluderen dat juist de groepen waarvoor verlofregelingen mogelijk de grootste maatschappelijke meerwaarde hebben, er relatief weinig gebruik van maken. Daardoor bestaat het risico dat beleid dat bedoeld is om genderongelijkheid te verkleinen vooral effect heeft bij middeninkomens, terwijl lagere inkomens achterblijven.

Volgens de auteurs is daarom aanvullend onderzoek nodig naar de vraag of de Nederlandse verlofregelingen voor vaders daadwerkelijk bijdragen aan een gelijkere verdeling van arbeid en zorg, en hoe deze regelingen toegankelijker kunnen worden gemaakt voor alle inkomensgroepen.

HOE ZIT HET OOK ALWEER: Schema verlofregelingen voor ouders

Doorsturen:

Neem een abonnement en download 504 exclusieve vakartikelen en 345 actuele HR-instrumenten!

Wilt u als HR-professional ook niks meer missen op uw vakgebied?