Asielzoekers die een grote kans hebben om in Nederland te mogen blijven, kunnen binnenkort al na 3 maanden aan het werk. Nu mag dat pas na 6 maanden. Dat is gunstig voor werkgevers in deze krappe arbeidsmarkt. In 2025 zijn al 30 duizend asielzoekers bij Nederlandse werkgevers nieuw aan het werk gegaan. Uitgezonderd zijn asielzoekers uit veilige landen; zij mogen hier helemaal geen betaald werk meer doen.
De ministerraad heeft ingestemd met een voorstel van die strekking door minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Veiligelanders krijgen eerder afwijzing
Op 12 juni 2026 treedt het Europese asiel- en migratiepact in werking. Daarin is afgesproken dat asielverzoeken met een lagere kans op een toelating, sneller worden afgehandeld. Bijvoorbeeld omdat iemand uit een veilig land komt. Daardoor is het sneller duidelijk of iemand hier wel of juist geen asiel krijgt.
Minister Vijlbrief vindt het belangrijk dat mensen met een grote kans op asiel zo snel mogelijk mee kunnen doen. Betaald werk zorgt ervoor dat je sneller integreert en de taal leert, waardoor je beter mee kunt meedoen in de samenleving. Ook verdienen asielzoekers zo eerder hun eigen loon en dragen zij dan ook bij aan hun opvangkosten. “Daarnaast is het voor werkgevers gunstig dat mensen zo snel mogelijk aan het werk kunnen, zeker in een krappe arbeidsmarkt,” stelt minister Vijlbrief.
Definitief afschaffen 24-weken-eis
De zogenoemde ‘24-weken-eis’ wordt hiermee uit de regels geschrapt. Asielzoekers mochten daardoor maar 24 weken werken per periode van 52 weken. In 2023 oordeelde de rechter dat dit niet mocht en sindsdien past het UWV deze eis al niet meer toe.
De werkgever moet bij het UWV een tewerkstellingsvergunning aanvragen om een asielzoeker te mogen laten werken. Hierdoor stijgt het aantal asielzoekers met een baan fors. Van ongeveer 600 verleende vergunningen in 2022, tot meer dan 30.000 aanvragen in 2025.
Nieuwe regels sneller ingevoerd
De nieuwe regels worden opgenomen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De aanpassingen worden met de Tweede- en Eerste Kamer gedeeld. Vervolgens verstuurt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de AMvB naar de Raad van State voor advies. Zo snel mogelijk worden de regels dan aangepast zodat ook de wachtperiode van 6 naar 3 maanden gaat.